You are here

Vaste biomassa : « De CO2-neutraliteit moet in vraag worden gesteld »

Het Europees Milieubureau (EEB) wijst op bepaalde mistoestanden in de sector en roept op tot de invoering van een « koolstofschuld » factor in de Europese berekeningen. Faustine Defossez geeft een woordje uitleg.

In februari organiseerde de Waalse Federatie Inter-Environnement een workshop over bio-energie. Doelstelling : de paden en de strategieën bespreken die kunnen leiden tot een duurzaam gebruik van bio-energie, die als eerste staat in de rij om te worden opgenomen in de toekomstige Europese energiemix.

Tijdens de vragen viel de vurige kritiek op tegen « CO2 neutraliteit » van vaste biomassa. Een nogal ongewone ter discussiestelling. Inderdaad, sinds de lancering van het Europese klimaatbeleid, werd deze sector steeds beschouwd als klimaatneutraal. Met andere woorden, de uitstoot van broeikasgassen (BKG) die werd geproduceerd bij de valorisatie van de energie waren gelijk aan nul, omdat de plant tijdens zijn groei de CO2 uit de atmosfeer voortdurend opvangt.

Deze veronderstelling lag ten grondslag van de officiële evaluaties op het gebied van de uitstoot van broeikasgassen in Europa. Het is eveneens op deze basis dat het ETS-systeem (Emission Trading System), een essentieel mechanisme om de Europese industrie te stimuleren zijn CO2-uitstoot te verminderen, functioneert.

En nu blijken deze berekeningen niet te kloppen...

Als onderdeel van de herziening van het ETS-systeem (lees ons artikel Une nouvelle vie pour le marché européen du carbone ?), hebben drie milieugroeperingen – BirdLife International, Het Europees Milieubureau (EEB) en Transport & Environment – een gezamenlijke studie gepubliceerd met de redenen waarom dit CO2-neutrale criterium voor biomassa moet veranderen.

Uitleg van Faustine Defossez, Senior beleidsmedewerker Landbouw en Bio-energie van BEE.

Jean Cech (Hernieuws) : Het is ongewoon om op deze manier te horen dat de CO2-neutraliteit van biomassa in vraag wordt gesteld...

Faustine Defossez (BEE) : Wij zijn reeds enkele jaren bezig met deze veronderstelling. Het begon met de kwestie van biobrandstoffen, gekoppeld aan die van de concurrentiestrijd met voedsel en indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC-factor in het vakjargon van de industrie).

Deze overwegingen hebben ertoe geleid dat sommige wetenschappers de compensatie waarvan u spreekt in vraag zijn beginnen stellen, rekening houdend met de tijd die verloopt tussen het opvangen van CO2 in de atmosfeer en het moment wanneer dezelfde CO2-uitstoot weer vrijkomt bij de verbranding van energiedoeleinden. Een tijd die zeer lang kan zijn – meer dan honderd jaar voor sommige categorieën van hout – en dus niet voldoet aan onze doelstellingen voor broeikaseffecten en de opwarming van de aarde, die op korte termijn zijn. Met het huidige bio-energie beleid, zitten we in sommige gevallen in een situatie dat de uitstoot van broeikasgassen verhoogt, terwijl het de bedoeling is om ze te verminderen.

J.C. : Kortom, we moeten eerder spreken van een « uitgestelde » CO2-neutraliteit... Wat is de impact van deze invraagstelling binnen het Europese systeem in de strijd tegen de klimaatverandering (ETS) op basis van de omvang van de broeikasgasuitstoot ?

F.D. : Dat brengt ons bij dit perspectief om niet enkel de ETS-richtlijn te herzien, maar ook die van de richtlijn hernieuwbare energie die de nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie vastlegt in termen van hoeveelheden die moeten worden bereikt in 2020. Ik wil u eraan herinneren dat voor deze laatste, energie uit hout een belangrijke rol speelt met betrekking tot andere hernieuwbare energiesectoren. Dit principe van CO2-neutraliteit was zeer comfortabel voor de betrokken staten. Dit principe liet andere lidstaten toe dat de kolencentrales ook konden worden gebruikt voor co-verbranding van hout zodat niet-duurzame installaties op een bepaalde manier in stand worden gehouden. Los van het feit of dit hout hier wordt gezaagd, in Oekraïne of in Canada. Met een verhoging van de uitstoot op korte en middellange termijn als gevolg. In feite waren het hout en zijn zogenaamde CO2-neutraliteit voor Europa zeer nuttig in de realisatie van haar klimaatdoelstellingen, maar dit was slechts een afleidingsmanoeuvre en heeft investeringen in andere hernieuwbare energiebronnen doen vertragen. Vooral het ontbreken van duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa heeft dit in de hand gewerkt (lees ons artikel : Biomasse solide: à quand des critères de durabilité clairs ?).

J.C. : In welke mate is Europa volgens u medeplichtig ?

F.D. : Als men de verschillende Europese teksten eigenlijk analyseert, zien we een bereidheid om lokale biomassa voor de productie van energie te overwegen. Volgens de interpretatie van de beleidsmakers was het duidelijk dat de verbranding van biomassa zou worden gebaseerd op de lokale behoefte. Het ontbreken van duurzaamheidscriteria heeft echter tot excessen geleid en in veel gevallen is de gebruikte biomassa verre van lokaal : zij komt uit de Verenigde Staten, Canada en in mindere mate uit Oekraïne. Bij het bepalen van deze richtlijnen – ETS, klimaatpakket, hernieuwbare energie, ... – waren er lidstaten, zoals Zweden en Finland, die zeer afhankelijk zijn van bosbouw, sterk gekant waren tegen de invoering van Europese duurzaamheidscriteria in de Europese teksten, of het nu ging over biodiversiteit of de uitstoot van broeikasgassen. Deze landen hebben het gevoel dat ze hun bossen duurzaam beheren en dat dit debat zinloos is. Ze weigeren dat de Europese beleidsmaker hun criteria oplegt over bosbeheer.

J.C. : Er is dus sprake van soort lobbying tegen de invraagstelling van de CO2-neutraliteit... ?

F.D. : Ja, in de mate dat deze lidstaten van mening zijn dat er geen globale koolstofschuld is in de manier waarop zij hun bossen beheren. Het is niet dat ze het probleem negeren, maar ze zien niet in waarom men hen op Europees niveau op dit gebied zeer strikte regels zou opleggen, omdat er volgens hen bij hen geen probleem is. Ook al leidt dit elders in Europa duidelijk tot mistoestanden die de koolstof schuld enkel maar doen toenemen. Maar zonder duurzaamheidscriteria kunnen we dit niet controleren. Iedereen wijst op het feit dat men geen gebruik maakt van volledige boomstammen, maar van houtafval, maar dat we maar moeten vertrouwen op hun goede trouw of twijfelachtige vrijwillige duurzaamheidssystemen. Hoewel het geweten is dat men in de VS volledige boomstammen gebruikt om pellets te produceren die door ons worden ingevoerd. Indien we duurzaamheidscriteria hadden ingevoerd en een eenvoudige factor « koolstofschuld » hadden ingevoerd in onze teksten, zouden we ons niet in deze situatie bevinden.

J.C. : Voor de ontwikkeling van deze factor is er toch nog steeds vooronderzoek nodig !

F.D. : Dat klopt. Dit werk kan zeer complex zijn, zoals we dit zagen met de problematiek van de bodembestemming (CASI). Het gaat inderdaad over modellering. Het zou gemakkelijker zijn om een gesloten lijst van toegestane en verboden stoffen vast te leggen, bijvoorbeeld met het verbod op het gebruik van hele bomen, boomstammen, ...

Sommige exploitanten hakken volledige bomen om in plaats van houtafval voor de productie van pellets. Koolstofschuldcriteria zouden onder meer een halt toeroepen aan deze praktijk en het transport van de producerende landen mee in rekening nemen (Oekraïne, Canada, de VS, ...).

J.C. : De vraag is ook om te weten of de verschillen in doelstellingen op het niveau van de koolstofschuld van vaste biomassa een dergelijke ommezwaai in de wetgeving rechtvaardigen...

F.D. : Op het moment men beseft dat er geen houtafval wordt gebruikt maar volledige bomen, dan gaat het niet meer over marginale verschillen. Ik herinner u eraan dat in Europa jaarlijks 483 Mt CO2 wordt uitgestoten als gevolg van verbranding van biomassa voor energie. Dit zijn de officiële cijfers van de Europese inventaris voor 2012.

J.C. : Is er op zijn minst een vorm van wetenschappelijke consensus rond deze nieuwe kijk op de koolstofschuld van vaste biomassa ?

F.D. : Ik ga niet vooruitlopen op de wetenschappelijke consensus. Onze gesprekspartners op dit niveau delen toch onze standpunten. De vraag is niet « alleen » de wetenschap : zij is ook logisch. En die logica wordt breed gedeeld. De verschillen verschijnen van zodra men vraagtekens plaatst bij de noodzaak of het geheel van alle ontwikkelde wettelijke instrumenten moeten worden gewijzigd om het Europese klimaatbeleid te ondersteunen. De concrete vraag is welk deel vaste biomassa er op duurzame wijze kan worden gebruikt voor energiedoeleinden. We zullen binnenkort een document publiceren dat een aantal dingen moet verduidelijken vanuit ons standpunt. Het lijkt er in ieder geval op dat het beleid het probleem in het kader van het debat over het klimaatpakket na 2020 heeft begrepen. Er is een duidelijke verwijzing naar de noodzaak van duurzaamheidscriteria voor bio-energie bovenop een betere afweging van de problematiek van de bodembestemmingsplannen (CASI).

J.C. : Is dus de vraag dan niet of deze volumes zullen voldoen aan de Europese doelstellingen voor hernieuwbare energie indien 50% van de hernieuwbare energie moet komen uit biomassa ?

F.D. : Waarschijnlijk niet. Oorspronkelijk was de CO2-neutraliteit een goede zaak voor iedereen want het is ook de goedkoopste manier – en we weten dat de lidstaten altijd neigen naar « goedkoper » wanneer ze doelstellingen hebben in termen van volume en niet in termen van efficiëntie – en dat dit leidt tot het in stand houden van bepaalde niet-duurzame systemen. Maar de ontwikkeling van nieuwe duurzame technologieën werd belemmerd door het belang dat aan de biomassasector werd toegekend. Het beperken van het aandeel biomassa tot duurzame niveaus zou meer ruimte geven aan andere technologieën. Dit heeft men duidelijk gezien in de ontwikkeling van biobrandstoffen naar de biobrandstoffen van de tweede generatie – de eerste generatie zou inderdaad moeten worden beperkt door de beleidsmakers tegen 2020.

Catégorie: 
Débats
Filière: 
2
Mots clés: